Vanwege een gedeelde liefde voor het Nederlandstalig chanson, richtten Nico Knapper en Frans van Lier in 1966 de Werkwinkel op. Van Lier blikt terug op het korte, doch roemrijke bestaan van het collectief.
Het moet 1966 zijn geweest: we kwamen elkaar tegen op het Leidseplein en Nico Knapper en ik besloten wat te gaan drinken in een van de cafés. We kenden elkaar al veel langer: hij televisiemaker, ik redacteur van een tv-tijdschrift, beiden dertigers; we hadden elkaar een tijd niet gesproken. We hielden allebei van Franse chansons – hij had lang als chansonnier opgetreden, in Parijs zelfs – en we vonden allebei dat Nederlandse liedjes nog wel wat eleganter, joyeuzer, melodieuzer konden dan, met alle respect, het gemiddelde cabaretliedje of wat er bij de bands werd gezongen.
"Er zijn wel jonge talenten in die richting", zei Nico en noemde een trits namen. "Die zou je bij elkaar moeten brengen", vonden we allebei zonder nog precies te weten wat er dan moest gebeuren. "In een soort workshop", bedachten we toen en vertaalden meteen: een werkwinkel, want het ging nadrukkelijk om Nederlands. En daar had je 'm: de Werkwinkel van het Nederlands chanson.
Het optreden na het platengala verliep prima: een afwisselend programma met o.a. de nog nauwelijks bekende Herman van Veen, Marnix Kappers, Joost Nuissl en een aardig, licht exotisch meisje dat zich presenteerde als Odille. Maar het viel natuurlijk de feestgangers op het bal niet kwalijk te nemen dat ze liever bij de vrolijke dansbands bleven rondspringen, dus storm liep het nou ook weer niet in dat zijzaaltje.
Bij de al genoemden hoorden tot het eerste collectief ook Robert Smit, Floortje Klomp en Dick Poons. Daar voegde zich later ook bij een volstrekt onbekend meisje met een zilveren stem: een zekere Lenny Kuhr. Zij zong met eigen gitaarbegeleiding een liedje over een troubadour. Een jaar later, in 1969, won ze er het Eurovisie Song festival mee (samen met drie anderen met evenveel punten, een unicum in de historie van het Songfestival).
Toen een jaar of vier na de oprichting de belastingdienst vond dat er tegen de tienduizend gulden aan achterstallige loon- en inkomstenbelasting door de artiesten en de organisatie moest worden betaald, waar niemand ooit had gedacht, heeft Nico die uit eigen zak uitgeteld. Daarmee was de pret er wel af voor de Werkwinkel.
Dit is een verkorte versie van Frans van Liersjs bijdrage aan afl. 10 van RECORDER, magazine over mediahistorie.
Lees hier het volledige artikel
Bladmuziek van repertoire voor de Werkwinkel in onze collectie